Saturday, 17 October 2009

Silicon Valley in Antwerpen!

België als logistiek centrum…

De lange wapper zou de snelst inzetbare manier zijn om de files op te lossen en goed zijn voor de ontwikkeling van de haven, dus goed voor de economie. Dat rijmt mooi met de ambitie om van België een logistiek centrum te maken, al zou dat de grote troef zijn van ons land. (Vlaanderen in Actie, getekend door de CD&V, remember?)

Maar is dat wel zo? Is ‘logistiek’ voor de Belgische burgerbevolking het meest leefbaar, voor werknemers het meest werkzeker, en voor jonge ondernemers met gezonde ambitie de meest rooskleurige toekomst?

Als logistiek onze grootste troef zou zijn, vind ik dat geen groot compliment.

Ik vind het zelfs een weinig ambitieus project voor een bevolking waar doorgaans een hoog opleidingsniveau op te meten is, waar veel mensen twee tot drie talen spreken, waar veel universiteiten zijn, en die gekend is voor haar harde werkijver.

Silicon Valley in Antwerpen!

Heeft er ooit iemand het rekensommetje gemaakt of België, Vlaanderen of Antwerpen (kies gerust zelf) per vierkante kilometer economisch het meest gebaat is bij havenuitbreiding en een grotere doorstroomcapaciteit voor vrachtvervoer, of bij het verder doorontwikkelen van echte groeisektoren zoals bijvoorbeeld de kenniseconomie, clean tech, de creatieve sector, …

Met alle respect. De Antwerpse haven doet het economisch niet bepaald goed. Ook voor de crisis wist het nooit op haar maximumcapaciteit te draaien. Deurganckdokken enzo, daar hebben weinig mensen ooit echt het belang van begrepen.

Stel dat we al die open bedrijventerreinen in het noorden van Antwerpen nu eens aanwenden om nieuwe sektoren zoals kennis-, creatieve en clean techbedrijven optimaal de kans te geven? Stel dat we met het machtige havengebied terug aansluiting vinden bij de stad (met de ontwikkelinge van den Dam en het eilandje zit dat al aardig in de goeie richting).

Mensen zouden dicht bij hun werk kunnen wonen, en met een krant en een bakje koffie over rails of zelfs over het water naar hun werk kunnen. Sillicon Valley aan de Schelde. Kantoor met zicht op water. En een job waar je trots op kan zijn, en werk voor mensen met ambitie.

Enkele uren verwijderd van Londen, Parijs, Keulen, Amsterdam en Brussel. Dichtbij alle grote universiteiten en business centra van Europa.

De brug onder de grond stemmen

Morgen zou een burgerbeweging een project van de betonlobby en een kringetje conservatief politiek establishment onder de grond kunnen stemmen. Woonde ik nog in Antwerpen, ik had er graag aan bijgedragen.

Wat kan je vandaag doen om te voorkomen dat een gezonde stadsontwikkeling letterlijk wordt doorgesneden? Vandaag zet de BAM een callcenter op om 1000'den Antwerpenaren te bellen om te overtuigen ja te stemmen. Doe niet hetzelfde. Als iedereen 10 mensen belt om te overtuigen nee te stemmen, en die bellen ook 10 mensen, dan houdt het nee-kamp stand.

Btw. je bent geen nee-kamp. Je bent een ja-kamp.


Sunday, 27 September 2009

Kopenhagen in België

De context

Nog 70 keer slapen en de VN klimaatconferentie gaat van start in Kopenhagen (Cop15).
Spontaan vraag ik me af hoe creatieve marketing kan bijdragen tot het welslagen van de conferentie, en uiteraard ben ik niet de enige.
Om regeringen wereldwijd onder druk te zetten, riep de VN de grote reclamegroepen op de wapens op te nemen ter verdediging van de klimaatskwestie.

Zo nodigt de Hopenhagen-campagne het publiek uit om de klimaatspetitie te tekenen op www.hopenhagen.org, en hun hoop voor de toekomst uit te drukken.
Verder is het een website gestoffeerd met een nieuwssectie, enkele basis-sociale netwerkfunctionaliteiten (zet het op je Facebook) , wat duiding, en heel wat visuele sfeer.

De campagne werd ontwikkeld door het reclamebureau Ogilvy & Mather en wordt in de hele wereld geactiveerd via zijn netwerk. Daarnaast beloven nog heel wat grote communicatienetwerken met hun agentschappen op de kar te springen: de Omnicom Group, Interpublic Group, Interbrand, de Publicis Groupe, …

Allen nemen ze deel aan deze wereldcommunicatie.

Het probleem

Klinkt veelbelovend. Laat ons hopen dat Hopenhagen of aanverwanten nog heel wat in petto hebben, want zoals het er nu bijstaat stelt het me eigenlijk een beetje teleur.Naast een hoop functionele ergernissen, blijft de Hopenhagen-campagne naar mijn gevoel te veel hangen in het model en de campagne-toon van ‘activisme’: mensen vanuit de zijlijn naar binnen laten roepen om verandering.

Heel wat generaties zijn op de barricade getrokken voor allerlei nobele zaken, gewapend met polsbandjes, spandoeken en petities, schreeuwend om verandering. We hebben gedanst voor ‘t klimaat. The big ask. Again and again. En uiteraard ben ik daar heel blij om. Activisme zal er altijd zijn, en dat is maar goed ook.

Alleen is er vandaag bij de burgerbevolking al een behoorlijk groot draagvlak, en dat behoeft helemaal geen ‘change the world-campagne’ meer die wordt ingeleid met beelden van verdrinkende ijsberen en global Somalia.

De oplossing

Wat we wel nodig hebben is een campagne die gestoeld is op een co-operatief model.
Een offensief dat de burgerbevolking centraal stelt in plaats van de politiek, en hen het goede gevoel geeft dat ze niet veraf staan, maar actief participeren aan Cop15.

Dan is de vraag aan reclamebureau’s niet: “create awareness and make people sign the petition“, maar wel: ‘hoe laten we burgers samenwerken voor het algemeen belang’? Hoe halen we de bevolking uit die zijlijn, en hoe waarderen we ze, actief in het midden van iets?

En laat ons daarover een campagne maken. Er zijn bestaande voorbeelden genoeg.

Greenpeace, die ‘activisme’ nogthans diep in haar genen heeft, hanteert al geruime tijd de kracht van co-operatie en communities. Denk aan de ‘Green my apple’ campagne, waar Mac-fans werden betrokken bij een creatief offensief om Apple te overtuigen een groenere Mac te maken. Bleek doeltreffend.

Wecycle is ook een bijzonder initiatief in Nederland, waar afgedankte electrische apparaten ondermeer worden verzameld via de scholen aan de hand van aantrekkelijke incentives.

Benjamin Franklin zei ooit: “tell me and I will forget, show me and I might remember, but involve me and I will understand. En dat is exact wat rond Copenhagen in België moet gebeuren.

In plaats van ‘Hopenhagen’, hebben we een campagne nodig die ‘Kopenhagen in België’ zou kunnen heten. Ondersteund door (media)partners en mogelijk gemaakt met sociale media motiveer je allerlei organisaties in het sociale weefsel (scholen, jeugdbewegingen, gezinnen, collega’s, …) om hun eigen Copenhagen te houden, en het resultaat ervan onder elkaar te delen.

Alles wat je nodig hebt om daar een zinvol moment van te maken, wordt voorzien online.
Mensen zouden er een heel democratisch gevoel bij hebben, zich betrokken voelen, en inzicht hebben in de bijdrage die ze zelf kunnen leveren. Mensen zouden het resultaat van de optelsom kunnen zien van al die bijdrages, en… op ‘t einde van de rit zou de druk op COP15 misschien wel groter zijn dan met een petitie.

Friday, 25 September 2009

Ik zet op mijn kop wat ik wil


Het verloop van de Boeh!-campagne.
Het filmpje is gemaakt door Olaf en Gertjan, mijn collega's bij 10.


Thursday, 20 August 2009

Op 1 september zet ik op mijn kop wat ik wil


Als je kijkt naar de moslimwereld - en niet in ’t Middenoosten dit keer, maar wel in ons eigen landje - dan is er duidelijk iets heel bijzonders aan de gang.

Als ons beeld van de Islam de komende jaren zal wijzigen, dan zal het niet dankzij onze media, onze overheid of ons eigen politiek correct fatsoen zijn, maar wel dankzij een hele generatie Belgische moslima’s die iets willen bereiken. Ze zijn 100% vrouw. Ze zijn scherp van tong en weten heel goed wat ze willen. Ze willen geen scholen boycotten, maar studeren. Ze willen naar de universiteit en daarna een nobele rol bekleden in de samenleving.

Je kan het al een tijdje zien. Je ziet het op TV als er weer eens een debat is over integratie.

Twee maanden per jaar sta ik ‘s avonds les te geven in het volwassenenonderwijs, en daar zie je het heel duidelijk. Je ziet het aan wie gedreven is. Je ziet het aan wie afstudeert.

Precies daarom vond ik het ontzettend onrechtvaardig, maar vooral heel dom toen ik hoorde dat er een hoofdoekenverbod werd aangekondigd in de Antwerpse Athenea. Onrechtvaardig omdat je mensen kwetst, en een belangrijk onderdeel van hun ontwikkeling en identiteit afneemt.

Dom omdat je zogenaamde onderdrukking niet kan oplossen met een ander soort onderdrukking.

Onbegrijpelijk trouwens dat het onder het voorwendsel van ‘emancipatie’ gebeurt. Beste schooldirecteuren, die emancipatie waar jullie blijkbaar zo bezorgd om zijn, die vormt zich momenteel bij de Moslima’s zelf. En die mag je niet fnuiken. Die moet je van binnenuit de kans geven om te groeien. En ja; met hoofddoek.

Want een onderwijsinstelling zou haar leerlingen net moeten klaarmaken voor een toekomst waar culturen steeds dichter bij elkaar komen te staan. Een schooldirectie mag daarom de verschillen niet wegmoffelen, maar ons daar net het goede van laten inzien, en ons daar mee om leren gaan.

In plaats van me er nog langer aan te ergeren, heb ik overleg gepleegd met Olaf en Gertjan, copywriter en art director bij 10 Advertising. We vonden immers dat in een stad van iedereen, je op je kop mag zetten wat je wil.

We namen contact op met de dames van BOEH! (www.baasovereigenhoofd.be), en waren het er snel over eens dat we een positieve en grappige actie moesten ontwikkelen.

Een campagne die op zich groter is dan een ja-nee spelletje. Want dit beperkt zich infeite niet tot de Islam, maar gaat over het recht om met trots je overtuiging en religie te beleven. Het gaat over recht op je persoonlijkheid.

Het is nu uitkijken naar 1 september, een dag waar we hopen dat we met humor zoveel mogelijk publieke opinie kunnen winnen. Laat ons hopen dat humor de absurditeit van het hoofdoekenverbod zal aankaarten voor heel wat mensen. Ik sta zelf in ’t onderwijs, en heb er eigenlijk nooit een moment bij stilgestaan of je nu betere of slechtere schoolresultaten zou boeken met een hoofddoek.

Je kan BOEH steunen. En nee, we vragen geen geld.

Je kan je aansluiten bij de Facebook groep “Ik zet op mijn kop wat ik wil”, en die vind je hier.

http://www.facebook.com/pages/Op-1-september-zet-ik-op-mijn-kop-wat-ik-wil/115922184723?ref=mf

Je kan iets op je kop zetten, kom ermee op de foto en voorzie er je profiel mee. Maar liefst hebben we natuurlijk dat je op 1 september afzakt naar de Rooseveltplaats, en mee komt tonen dat ook jij op je kop zet wat je wil.

Religie toegepast op een merk van zonnepanelen

Om te antwoorden op de vraag om religie toe te passen op een duurzaam product of merk, hieronder een oefening om de receptuur toe te passen op een merk van zonnepanelen.

Eerst en vooral moeten klanten met zonnepanelen dit via een bepaald teken of symbool kunnen uiten. Een herkenbaar paneeltje aan de deurbel wijst erop dat de bewoner (of het gehuisveste bedrijf) deel uitmaakt van de zonne-community van dat merk. Wat op zich ook goeie reclame betekent. Het brengt immers het juiste verhaal op gang als gasten aanbellen. En is mond-aan-mond-reclame niet de beste reclame? Daarna zouden de gasten bij het aperitief met bewondering kunnen kijken naar een hip meettoestelletje in I-pod design op de salontafel.

Het zonne-energiebedrijf kan in haar reclame-campagnes het zonnetijdperk aankondigen en in schil contrast met het ‘passé’-tijdperk van fossiele brandstoffen stellen. Zo creeërt ze niet alleen zichzelf, maar ook haar vijand. De vijand wordt zowaar ontmaskerd als een monster dat de mensheid al jaren onfair behandeld heeft. Zo hebben klanten een goed gevoel over zichzelf, voelen ze zich superieur en in verbondenheid met het merk ten opzichte van ongelovigen.

Want net zoals een religie hoort een merk te communiceren vanuit een sterke wereldvisie. Ze moet een formule aanreiken hoe u en ik kunnen toetreden en toewijden. Het merk heeft ook concrete zaken te vertellen: bijvoorbeeld hoeveel kilowatt-uur, hoeveel vierkante kilometer of hoeveel daken er nodig zijn om onze hele wereld te voorzien van zonne-energie.

Een belangrijk evangelie om gelovigen te winnen is de terugverdien- of investeringsformule. Dit overtuigend rekensommetje is de doctrine die voor de consument de bevrijding van hun aloude elektriciteitsleverancier inluidt. Dit evangelie moet goed vormgegeven zijn, want het stelt gelovigen in staat om andere gelovigen voor het ideeëngoed te winnen.

Het merk moet er voor zorgen dat zich dagelijks een interessant ritueel bij de klanten voordoet. Dat mensen op hun hippe meettoestel kijken hoeveel ze produceren en consumeren en zo iedere dag opnieuw hun geloof in duurzaamheid bevestigd zien.

Ik kan nog een tijdje doorgaan, maar voeg tot slot een bijkomende, heel sterke analogie met religie toe. Het merk van zonnepanelen creëert best gewijde plaatsen. Ze zou ze het dak van bekende en zichtbare gebouwen een kroonlijst met zonnepanelen moeten geven. Of wat dacht u van gekende voetbalstations? Zo zal het merk in het stadsbeeld op monumentale wijze aanwezig zijn. Mensen zullen omhoog kijken. Het merk wordt een religieuze grandeur aangemeten.

Wednesday, 1 July 2009

In iedere tuin een wormentoren

Een nieuw idee komt nooit uit jezelf. “Het komt naar je toe” hoor je vaak zeggen.  Je moet er gewoon voor open staan.

Zo zat ik op één van de eerste zonnige lentedagen in onze tuin wat voor mij uit te staren en in mezelf te mijmeren. Het moet een pauzemoment geweest zijn op een dag waar ik me bezig hield met het zaaien van Rucola, Kamille, het planten van Rozemarijn, Tijm, Bieslook en ander lekkers.

 Kijkend naar het plompe kompostvat vond ik het gek dat wereldwijd landbouwgronden uitputten, terwijl wij mensen er toch voor zorgen dat er veel organisch afval voorhanden is.

Een half uur daarvoor was ik in het lokale tuincentrum nog onder de indruk van al die rijen roze en blauwe synthetische meststoffen die op het schap staan. Een teken dat ze in flinke rotatie verkocht worden. Ook vreemd als je weet hoeveel GFT-zakken wij met zijn allen wekelijks op de stoep zetten. Zakken vol nutriënten die we mits een juist procedé kunnen gebruiken om onze bloemenperkjes, borderplanten, heesters, fruitbomen, groenten- en kruidentuintjes mee te voeden.

Ik denk spontaan aan regenwormen. In een hoopje omgewoelde aarde zie ik een regenworm zijn weg banen. Een dier waarvan ons op de lagere school werd verteld welke belangrijke rol zij vervult in het omzetten en distribueren van voedingsstoffen in de bodem. Uit een brochure van de Ovam herinner ik me de werking van een wormenbak. Letterlijk een bak met wormen. Alle tuin- en keukenafval kan erin. Je laat de wormen hun werk doen, en na verloop van tijd kan je onderaan een rijke, vloeibare wormencompost tappen. Je mag het gerust als de kaviaar van de organische mest beschouwen. “Vraag maar aan mensen die rozen kweken”.

 Maar het is niet alleen de mest van wormen op zich die zo verrijkend is.

De beestjes zorgen ook voor meer zuurstof in de bodem, voor een betere doorsijpeling van regenwater, een hogere capaciteit van de bodem om vocht vast te houden en voor een rijkere diversiteit aan micro-organismen. Zo voorkomen wormen zelfs ziektes. Ze zorgen voor een gezonde weerstand van de bodem.

Wormen hoeven helemaal niet in een bak denk ik dan. Daar is enkel hun metabolisme van belang, maar niet de optelsom van hun spierkracht en hun ijver de weerstand van de grond te trotseren. Die kunnen beter in de grond blijven zitten, talrijk worden en graafwerk doen.

Wormen, maar dan met vrije uitloop.

Het enige wat ik moet doen is ze rechtstreeks voederen. Ik moet zorgen voor een ondergronds metrostation voor regenwormen. Inclusief restaurant waar hen allerlei hapjes kan worden toegediend. Een kompostvat, maar dan smaller. Maar vooral dieper. Het moet tot een meter onder de grond zitten. Het moet via honderden kleine gaatjes de hele wormenwereld op een uitnodigende manier toegang verschaffen tot alle lekkernijen die ik er bovenaan ingooi.

Omdat ik echt niets ken van biologie heb ik geen flauw idee of het zou werken. Ik kan het alleen weten wanneer ik een testopstelling in de tuin zet.

Ik ga de doe-het-zelf-zaak binnen en koop er de breedste PVC-rioolpijp die ze hebben. Bijna anderhalve meter lang. Zo één die verbreed bovenaan, als koppeling met een andere pijp. Ik koop ook een deksel dat erop past.

Thuisgekomen boor ik de onderkant vol gaatjes. Iedere centimeter een gaatje, breed genoeg om een flinke worm toegang te verschaffen. De bovenste helft blijft gaaf. Ik boor enkel wat verluhtingsgaatjes bovenaan en zet er een afsluitdeksel op om indringers buiten te houden.

Ik plaats mijn wormentoren strategisch tussen de aardperen, mijn kruidentuin, mijn veldbloemen en de plek waar binnenkort mijn tomatenplanten gaan komen. Ik vul iedere dag met wat etensresten, en moet na enkele dagen vaststellen dat het werkt. 

Net zoals één op drie huishoudens een Senseo op de keukenkast heeft, en een afwasmachine laat draaien, vraag ik me af of je van een wormentoren een success zou kunnen maken. Een nieuw product moet een goeie naam hebben. Wormtower vind ik al mooi in de buurt komen. Het klinkt robuust. Het klinkt alsof er heel wat bedrijvigheid in gangbaar is. Het klinkt als een baken in je tuin. Terecht.

Om me te onderscheiden van plompe compostbakken mag het er ook heel goed uitzien.

De wormtower mag een strakke elegante vorm hebben die niet misstaat in de achtergrond van stammetjes, struiken, sierplanten of bloemenperken. Ee soort wolkenkrabber zoals je ze al gezien hebt op foto’s van Dubai. Het mag ook niet misstaan in een kruidentuin of moestuin. Het mag zelfs een monumentaal karakter hebben. Het maakt immers deeluit van je tuin haar (hum) “life support system”.

Het moet ook makkelijk te bedienen zijn. Breed genoeg van boven. Makkelijk te openen en te sluiten. Geurvrij. Er mage en bijsluiter bij. Een soort Ikea-plan. Niet om je wegwijs te maken doorheen een bouwpakket, maar een schematische uitleg van hoe het werkt.

 Kan het ook uitgevoerd worden in een gerecycleerd plastiek? Ge-upcyclede PET-flessen? Kunnen we hem hebben in verschillende kleuren?

 Het zou nog veel tests, onderzoek en gesprekken met een bioloog, ecoloog, aankoopverantwoordelijke en productontwikkelaars vergen. Maar in mijn tuin werkt het. En het heeft allesinds geen kwaad gedaan, getuige de hoogte van de omliggende aardpeerplanten en de explosieve groei van de veldbloemen eromheen.

 Krijgen we hem voor maximaal 30 Euro in de winkelrekken? Bij de Bio Planet? In de tuincentra? Bij de doe-het-zelf-zaak? Wie tips of advies heeft van enige aard is vanharte welkom op stefaan@trinity-planning.be. Laat ons een keten sluiten. Begin vanachter in je tuin.

Wat we kunnen leren van religie om duurzaamheid succesvol te maken

Afgelopen week vond het Internationaal Reclamefestival in Cannes plaats.

Dit festival is voor reclamemensen ongeveer wat de Oscars voor filmregisseurs en acteurs betekent. Een soort internationale hoogmis waar vakgenoten uit alle uithoeken van de wereld elkaars creatieve werk lauweren.  Er worden sinds jaren campagnes geëerd omwille van de durf, het innovatief karakter, het verrassende creatief idee of het esthetisch vernuft waarmee het voor de dag komt.

Maar liefst vinden juryleden al deze troeven tegelijk terug in ieder streepje reclamegeweld.

 Laatste jaren is er echter een trend op til. Wat opvalt is dat reclame minder en minder op reclame begint te lijken. Campagnes hebben steeds vaker iets weg van culturele innovatie, ‘sociale bewegingen’, of noem het maar gewoon ‘dingen die echt gebeuren’.

 Van reclamereservaat naar sociaal weefsel

 In het reclamereservaat blijven hangen lijkt geen goeie strategie meer te zijn om mensen hun harten te veroveren. 

Dat uit zich nog het meest in de jongste prijscategorieën. Naast de klassieke categoriën Film, Press of Outdoor worden er sinds kort naar hartelust Gouden Leeuwen en GrandPrix uitgereikt in nieuwe categorieën die geïntegreerde campagnes erkenning geven. Campagnes waar één idee zich moeiteloos door alle geledingen van pers, media, internet en burgerbevolking weet heen te weven.

 Waar vakjury’s op verlekkerd zijn geworden is niet zozeer de cosmetische aantrekkelijkheid of de verrassende invalshoek waarmee reclame onze aandacht onderbreekt. Vandaag zijn ze hongerig op zoek naar ideeën die levensvatbaar zijn in de schoot van het sociale weefsel zelf. Daardat ze gewoon heel interessant zijn. Doordat ze het waard zijn met elkaar te delen.

Ideeën die niet bedacht worden om uitgezonden te worden, maar wel om opgepikt worden.

Een gekend voorbeeld van eigen bodem is misschien wel de “Zonder Haat Straat campagne” van 2006, waar  meer dan 100.000 straatnaambordjes hun weg vonden naar vensters van mensen tegen zinloos geweld. (En sommige hangen er nog). 99% naamsbekendheid, 80% waardering. 0% klassieke reclamemedia.

Bedient de reclamesektor zich dan van een nieuw model? En wat werkt voor vakjury’s, werkt dat ook voor doelgroepen? Want bestond reclame niet in de eerste plaats om mensen te overtuigen, of toch op zijn minst ‘de juiste verwachtingen te scheppen?’

Uiteraard evolueert de fylosofie van reclamemakers mee met de manier waarop mensen media en ideeën consumeren. Bij Saatchi & Saatchi zullen ze u vertellen over hun model Lovemarks, en bij Duval Guillaume zal men het hebben over een gelijkaardigheid tussen succesvolle merken en helden. Kijk voor de aardigheid maar eens naar www.heldenmerk.be

Van reclame naar religie

Maar het meest indrukwekkende ‘recept’ komt ongetwijfeld van onderzoeker en marketingguru Martin Lindstrom. Voor zijn boek “buyology” voerde hij het grootste neuromarketing-onderzoek ooit, in samenwerking met multinationals, geleerden en universiteiten. Gewapend met MRI-scanners keek hij mee in de hersenen van proefpersonen naar het effect van marketing, logo’s en reclame-uitingen. Met het resultaat wist hij van heel wat klassieke marktonderzoeksconventies brandhout te maken.

In 2006 deed hij aan de universiteit van Montreal bij een reeks proeven een zeer opmerkelijke ontdekking: De manier waarop wij de uitingen van geliefde merken ervaren is gelijkaardig aan de manier waarop wij religie ervaren. 

Religies verschillen veel, maar ze hebben ook een tiental pijlers gemeen. Dingen zoals een diep gedeeld gevoel van ‘erbij horen’, een duidelijke werkelijkheidsvisie, een superioriteit ten aanzien van vijanden van het geloof, een zintuiglijke aantrekkingskracht, sterke verhalen, grandeur, een evangelie, symbolen en tekens, mysterie en rituelen.

En laat dat nu toevallig de elementen zijn waar een nieuwe generatie marketeers en merkenbouwers zich mee bedient om op een geïntegreerde manier succes te bouwen. Je ziet het bij Apple, je ziet het bij Starbucks, je ziet het bij Nike, en bij Obama.

Obama’s Grand Prix

Op het reclamefestival van Cannes, werd in de category ‘Integrated’ dit jaar een Grand Prix gewonnen door de Obama/ Biden presidential campaign. Terecht kan je stellen. Het resultaat zit nu in het Witte Huis. Je kan voor de aardigheid het hele rijtje pijlers van religie invullen en interpreteren.

Als geen ander was het een campagne die gedragen werd door de burgers zelf. Mensen werden in staat gesteld ritueel aan de campagne bij te dragen wanneer ze dat wilden: online, of zelfs met hun GSM via my.barackobama.com. Ruim 13 miljoen Amerikanen waren via deze toepassing actief verbonden met de campagne en met elkaar.

Het symbol van de campagne was een rijzende zon over Amerika. En infeite was het dat wat Obama belichaamde.

De visie was duidelijk. Als we geloven in onszelf, en de mogelijkheid komaf te maken met het oude estabisment, dan lukt dat ook (yes, we can).

De beweging rond Obama zette zich als believers ostentatief af tegen de cynisci. Het was ‘Positive Change over America’ versus het Amerika van Bush.

Visuele kunstenaars zoals Shepard Fairey en popsterren zoals Josse Stone brachten hun artistieke bijdrage aan de campagne. Zo wist men een generatie te bereiken die daarvoor nooit politiek actief zou geweest zijn. Heel opmerkelijk waren ook interactief pionierswerk op Facebook en in populaire games. Het sterkste verhaal was natuurlijk Obama zelf. Een ongekende, jonge en zwarte senator met drie jaar ervaring in Washington schopt het tot presidentskandidaat. Maar daarnaast was iedere redevoering een vernuft staaltje copywriting in de traditie van leiders-predikanten zoals M.L.King.

Publieke vertoningen evolueerden in crescendo tot gewijde momenten die meer leken op popconcerten dan op pakweg een Democratische conventie of inauguratie zoals we die daarvoor gekend hebben. Het was U2 die Obama zijn sacrale soundtrack leverde: City of blinding lights.

 En zo kan je nog een tijdje doorgaan.

 Mensen doen geloven in duurzaamheid

 Een foute conclusie zou zijn dat we van duurzaamheid een religie of doctrine moeten maken. Maar de Grand Prix van Obama toont wel aan hoe we een pleidooi voor transitie succesvol kunnen maken met een recept dat doorheen de geschiedenis, en ook nu in het heden haar diensten meer dan ooit bewezen heeft.

 Een heel uitdagende vraag is: Hoe kunnen we de ingrediënten van religie toepassen op zonne-energie? Op biologische landbouw? Op cradle2cradle? Op electrisch rijden? Op urban farming?

 Hoe zorgen we ervoor dat mensen het er graag mee eens zijn en er graag willen bijhoren?

Ofwel, hoe zorgen we ervoor dat mensen erin geloven?