Wednesday, 1 July 2009

In iedere tuin een wormentoren

Een nieuw idee komt nooit uit jezelf. “Het komt naar je toe” hoor je vaak zeggen.  Je moet er gewoon voor open staan.

Zo zat ik op één van de eerste zonnige lentedagen in onze tuin wat voor mij uit te staren en in mezelf te mijmeren. Het moet een pauzemoment geweest zijn op een dag waar ik me bezig hield met het zaaien van Rucola, Kamille, het planten van Rozemarijn, Tijm, Bieslook en ander lekkers.

 Kijkend naar het plompe kompostvat vond ik het gek dat wereldwijd landbouwgronden uitputten, terwijl wij mensen er toch voor zorgen dat er veel organisch afval voorhanden is.

Een half uur daarvoor was ik in het lokale tuincentrum nog onder de indruk van al die rijen roze en blauwe synthetische meststoffen die op het schap staan. Een teken dat ze in flinke rotatie verkocht worden. Ook vreemd als je weet hoeveel GFT-zakken wij met zijn allen wekelijks op de stoep zetten. Zakken vol nutriënten die we mits een juist procedé kunnen gebruiken om onze bloemenperkjes, borderplanten, heesters, fruitbomen, groenten- en kruidentuintjes mee te voeden.

Ik denk spontaan aan regenwormen. In een hoopje omgewoelde aarde zie ik een regenworm zijn weg banen. Een dier waarvan ons op de lagere school werd verteld welke belangrijke rol zij vervult in het omzetten en distribueren van voedingsstoffen in de bodem. Uit een brochure van de Ovam herinner ik me de werking van een wormenbak. Letterlijk een bak met wormen. Alle tuin- en keukenafval kan erin. Je laat de wormen hun werk doen, en na verloop van tijd kan je onderaan een rijke, vloeibare wormencompost tappen. Je mag het gerust als de kaviaar van de organische mest beschouwen. “Vraag maar aan mensen die rozen kweken”.

 Maar het is niet alleen de mest van wormen op zich die zo verrijkend is.

De beestjes zorgen ook voor meer zuurstof in de bodem, voor een betere doorsijpeling van regenwater, een hogere capaciteit van de bodem om vocht vast te houden en voor een rijkere diversiteit aan micro-organismen. Zo voorkomen wormen zelfs ziektes. Ze zorgen voor een gezonde weerstand van de bodem.

Wormen hoeven helemaal niet in een bak denk ik dan. Daar is enkel hun metabolisme van belang, maar niet de optelsom van hun spierkracht en hun ijver de weerstand van de grond te trotseren. Die kunnen beter in de grond blijven zitten, talrijk worden en graafwerk doen.

Wormen, maar dan met vrije uitloop.

Het enige wat ik moet doen is ze rechtstreeks voederen. Ik moet zorgen voor een ondergronds metrostation voor regenwormen. Inclusief restaurant waar hen allerlei hapjes kan worden toegediend. Een kompostvat, maar dan smaller. Maar vooral dieper. Het moet tot een meter onder de grond zitten. Het moet via honderden kleine gaatjes de hele wormenwereld op een uitnodigende manier toegang verschaffen tot alle lekkernijen die ik er bovenaan ingooi.

Omdat ik echt niets ken van biologie heb ik geen flauw idee of het zou werken. Ik kan het alleen weten wanneer ik een testopstelling in de tuin zet.

Ik ga de doe-het-zelf-zaak binnen en koop er de breedste PVC-rioolpijp die ze hebben. Bijna anderhalve meter lang. Zo één die verbreed bovenaan, als koppeling met een andere pijp. Ik koop ook een deksel dat erop past.

Thuisgekomen boor ik de onderkant vol gaatjes. Iedere centimeter een gaatje, breed genoeg om een flinke worm toegang te verschaffen. De bovenste helft blijft gaaf. Ik boor enkel wat verluhtingsgaatjes bovenaan en zet er een afsluitdeksel op om indringers buiten te houden.

Ik plaats mijn wormentoren strategisch tussen de aardperen, mijn kruidentuin, mijn veldbloemen en de plek waar binnenkort mijn tomatenplanten gaan komen. Ik vul iedere dag met wat etensresten, en moet na enkele dagen vaststellen dat het werkt. 

Net zoals één op drie huishoudens een Senseo op de keukenkast heeft, en een afwasmachine laat draaien, vraag ik me af of je van een wormentoren een success zou kunnen maken. Een nieuw product moet een goeie naam hebben. Wormtower vind ik al mooi in de buurt komen. Het klinkt robuust. Het klinkt alsof er heel wat bedrijvigheid in gangbaar is. Het klinkt als een baken in je tuin. Terecht.

Om me te onderscheiden van plompe compostbakken mag het er ook heel goed uitzien.

De wormtower mag een strakke elegante vorm hebben die niet misstaat in de achtergrond van stammetjes, struiken, sierplanten of bloemenperken. Ee soort wolkenkrabber zoals je ze al gezien hebt op foto’s van Dubai. Het mag ook niet misstaan in een kruidentuin of moestuin. Het mag zelfs een monumentaal karakter hebben. Het maakt immers deeluit van je tuin haar (hum) “life support system”.

Het moet ook makkelijk te bedienen zijn. Breed genoeg van boven. Makkelijk te openen en te sluiten. Geurvrij. Er mage en bijsluiter bij. Een soort Ikea-plan. Niet om je wegwijs te maken doorheen een bouwpakket, maar een schematische uitleg van hoe het werkt.

 Kan het ook uitgevoerd worden in een gerecycleerd plastiek? Ge-upcyclede PET-flessen? Kunnen we hem hebben in verschillende kleuren?

 Het zou nog veel tests, onderzoek en gesprekken met een bioloog, ecoloog, aankoopverantwoordelijke en productontwikkelaars vergen. Maar in mijn tuin werkt het. En het heeft allesinds geen kwaad gedaan, getuige de hoogte van de omliggende aardpeerplanten en de explosieve groei van de veldbloemen eromheen.

 Krijgen we hem voor maximaal 30 Euro in de winkelrekken? Bij de Bio Planet? In de tuincentra? Bij de doe-het-zelf-zaak? Wie tips of advies heeft van enige aard is vanharte welkom op stefaan@trinity-planning.be. Laat ons een keten sluiten. Begin vanachter in je tuin.

Wat we kunnen leren van religie om duurzaamheid succesvol te maken

Afgelopen week vond het Internationaal Reclamefestival in Cannes plaats.

Dit festival is voor reclamemensen ongeveer wat de Oscars voor filmregisseurs en acteurs betekent. Een soort internationale hoogmis waar vakgenoten uit alle uithoeken van de wereld elkaars creatieve werk lauweren.  Er worden sinds jaren campagnes geëerd omwille van de durf, het innovatief karakter, het verrassende creatief idee of het esthetisch vernuft waarmee het voor de dag komt.

Maar liefst vinden juryleden al deze troeven tegelijk terug in ieder streepje reclamegeweld.

 Laatste jaren is er echter een trend op til. Wat opvalt is dat reclame minder en minder op reclame begint te lijken. Campagnes hebben steeds vaker iets weg van culturele innovatie, ‘sociale bewegingen’, of noem het maar gewoon ‘dingen die echt gebeuren’.

 Van reclamereservaat naar sociaal weefsel

 In het reclamereservaat blijven hangen lijkt geen goeie strategie meer te zijn om mensen hun harten te veroveren. 

Dat uit zich nog het meest in de jongste prijscategorieën. Naast de klassieke categoriën Film, Press of Outdoor worden er sinds kort naar hartelust Gouden Leeuwen en GrandPrix uitgereikt in nieuwe categorieën die geïntegreerde campagnes erkenning geven. Campagnes waar één idee zich moeiteloos door alle geledingen van pers, media, internet en burgerbevolking weet heen te weven.

 Waar vakjury’s op verlekkerd zijn geworden is niet zozeer de cosmetische aantrekkelijkheid of de verrassende invalshoek waarmee reclame onze aandacht onderbreekt. Vandaag zijn ze hongerig op zoek naar ideeën die levensvatbaar zijn in de schoot van het sociale weefsel zelf. Daardat ze gewoon heel interessant zijn. Doordat ze het waard zijn met elkaar te delen.

Ideeën die niet bedacht worden om uitgezonden te worden, maar wel om opgepikt worden.

Een gekend voorbeeld van eigen bodem is misschien wel de “Zonder Haat Straat campagne” van 2006, waar  meer dan 100.000 straatnaambordjes hun weg vonden naar vensters van mensen tegen zinloos geweld. (En sommige hangen er nog). 99% naamsbekendheid, 80% waardering. 0% klassieke reclamemedia.

Bedient de reclamesektor zich dan van een nieuw model? En wat werkt voor vakjury’s, werkt dat ook voor doelgroepen? Want bestond reclame niet in de eerste plaats om mensen te overtuigen, of toch op zijn minst ‘de juiste verwachtingen te scheppen?’

Uiteraard evolueert de fylosofie van reclamemakers mee met de manier waarop mensen media en ideeën consumeren. Bij Saatchi & Saatchi zullen ze u vertellen over hun model Lovemarks, en bij Duval Guillaume zal men het hebben over een gelijkaardigheid tussen succesvolle merken en helden. Kijk voor de aardigheid maar eens naar www.heldenmerk.be

Van reclame naar religie

Maar het meest indrukwekkende ‘recept’ komt ongetwijfeld van onderzoeker en marketingguru Martin Lindstrom. Voor zijn boek “buyology” voerde hij het grootste neuromarketing-onderzoek ooit, in samenwerking met multinationals, geleerden en universiteiten. Gewapend met MRI-scanners keek hij mee in de hersenen van proefpersonen naar het effect van marketing, logo’s en reclame-uitingen. Met het resultaat wist hij van heel wat klassieke marktonderzoeksconventies brandhout te maken.

In 2006 deed hij aan de universiteit van Montreal bij een reeks proeven een zeer opmerkelijke ontdekking: De manier waarop wij de uitingen van geliefde merken ervaren is gelijkaardig aan de manier waarop wij religie ervaren. 

Religies verschillen veel, maar ze hebben ook een tiental pijlers gemeen. Dingen zoals een diep gedeeld gevoel van ‘erbij horen’, een duidelijke werkelijkheidsvisie, een superioriteit ten aanzien van vijanden van het geloof, een zintuiglijke aantrekkingskracht, sterke verhalen, grandeur, een evangelie, symbolen en tekens, mysterie en rituelen.

En laat dat nu toevallig de elementen zijn waar een nieuwe generatie marketeers en merkenbouwers zich mee bedient om op een geïntegreerde manier succes te bouwen. Je ziet het bij Apple, je ziet het bij Starbucks, je ziet het bij Nike, en bij Obama.

Obama’s Grand Prix

Op het reclamefestival van Cannes, werd in de category ‘Integrated’ dit jaar een Grand Prix gewonnen door de Obama/ Biden presidential campaign. Terecht kan je stellen. Het resultaat zit nu in het Witte Huis. Je kan voor de aardigheid het hele rijtje pijlers van religie invullen en interpreteren.

Als geen ander was het een campagne die gedragen werd door de burgers zelf. Mensen werden in staat gesteld ritueel aan de campagne bij te dragen wanneer ze dat wilden: online, of zelfs met hun GSM via my.barackobama.com. Ruim 13 miljoen Amerikanen waren via deze toepassing actief verbonden met de campagne en met elkaar.

Het symbol van de campagne was een rijzende zon over Amerika. En infeite was het dat wat Obama belichaamde.

De visie was duidelijk. Als we geloven in onszelf, en de mogelijkheid komaf te maken met het oude estabisment, dan lukt dat ook (yes, we can).

De beweging rond Obama zette zich als believers ostentatief af tegen de cynisci. Het was ‘Positive Change over America’ versus het Amerika van Bush.

Visuele kunstenaars zoals Shepard Fairey en popsterren zoals Josse Stone brachten hun artistieke bijdrage aan de campagne. Zo wist men een generatie te bereiken die daarvoor nooit politiek actief zou geweest zijn. Heel opmerkelijk waren ook interactief pionierswerk op Facebook en in populaire games. Het sterkste verhaal was natuurlijk Obama zelf. Een ongekende, jonge en zwarte senator met drie jaar ervaring in Washington schopt het tot presidentskandidaat. Maar daarnaast was iedere redevoering een vernuft staaltje copywriting in de traditie van leiders-predikanten zoals M.L.King.

Publieke vertoningen evolueerden in crescendo tot gewijde momenten die meer leken op popconcerten dan op pakweg een Democratische conventie of inauguratie zoals we die daarvoor gekend hebben. Het was U2 die Obama zijn sacrale soundtrack leverde: City of blinding lights.

 En zo kan je nog een tijdje doorgaan.

 Mensen doen geloven in duurzaamheid

 Een foute conclusie zou zijn dat we van duurzaamheid een religie of doctrine moeten maken. Maar de Grand Prix van Obama toont wel aan hoe we een pleidooi voor transitie succesvol kunnen maken met een recept dat doorheen de geschiedenis, en ook nu in het heden haar diensten meer dan ooit bewezen heeft.

 Een heel uitdagende vraag is: Hoe kunnen we de ingrediënten van religie toepassen op zonne-energie? Op biologische landbouw? Op cradle2cradle? Op electrisch rijden? Op urban farming?

 Hoe zorgen we ervoor dat mensen het er graag mee eens zijn en er graag willen bijhoren?

Ofwel, hoe zorgen we ervoor dat mensen erin geloven?